5.1 Macroscopisch trillen

Twee ten opzichte van elkaar trillende atomen in een molecuul kunnen niet met elke energie trillen, er is een beperkt aantal mogelijke energietoestan-den. De afstand tussen twee toestanden noemen we een quantumsprong. De grootte van die sprongen is gelijk aan E=h∙f  met f de frequentie van de trilling. We rekenen nu uit hoe groot de quantumsprongen zijn in een macroscopisch geval.

Neem als voorbeeld een massa van 100 gram aan een veer die trilt met amplitude 10 cm. De veerconstante is zo gekozen dat de trillingstijd gelijk is aan 0,50 s. De frequentie is dan gelijk aan f = 1/T = 1/0,50 s = 2,0 Hz.
We berekenen eerst de totale energie. Die is gelijk aan de maximale kinetische energie. De maximale snelheid wordt gegeven door

v max = 2π A T  =  2·3,14·0,10 0,50   = 1,3 m/s,

De maximale kinetische energie wordt dan

E kin =½ m v 2 =½ 0,1 (1,3) 2 = 0,08 J

De orde van grootte van de totale energie is 10-1 J.
De energieën van een massa aan een veer worden gegeven door En=(n+1/2)∙h∙f. De quantumsprongen voor dit geval hebben dus grootte

ΔE=h·f= 6,6 10 -34 2,0 =1,3 10 -33 J

De quantumsprongen zijn bij dit macroscopische systeem heel klein. Vooral als je ze bekijkt in verhouding tot de totale energie, het is maar het 0,0000000000000000000000000000001ste deel. Vanuit de grondtoestand zijn dus evenzoveel quantumsprongen nodig om die toestand te bereiken: het systeem is in een heel hoge aangeslagen toestand. Als daar wat energie bijkomt, ook al is het maar een klein percentage, dan zijn dat meteen heel veel extra quanta. De stapjes zijn zo klein dat je niet merkt dat het niet continu toeneemt. Bij een molecuul, met zijn veel hogere trillingsfrequentie, zijn de quantumsprongen veel groter en is de totale energie veel kleiner, zodat je wel echt merkt dat de energie in sprongen toeneemt. Elke quantumsprong scheelt daar een slok op een borrel.

Andere criteria geven uiteraard ook als resultaat dat een massa van 100 g, die met deze frequentie en amplitude trilt, geen quantumsysteem is. De de brogliegolflengte is gelijk aan h/(m∙v), je ziet zo dat dit vele ordes van grootte kleiner is dan de amplitude zelf.