2.2 Electronen, niet zomaar geladen balletjes

Zwaardere deeltjes

Andere deeltjes dan elektronen hebben een grotere massa. Dat zorgt ervoor dat hun de broglie-golflengte heel klein is. Pas als ze te maken hebben met héél kleine ruimtes, merk je er iets van dat ze ook een golfkarakter hebben. Pas op heel kleine schaal merk je dat het geen puntdeeltjes zijn, dat hun positie niet vastligt maar alleen bekend is op de de broglie-golflengte na, en pas op die heel kleine schaal zijn er interferentieverschijnselen. Een proton in een kern heeft wel veel meer massa dan een elektron, maar hij zit in een heel kleine ruimte, dus je hebt dan wel degelijk te maken met de golfeigenschappen.

Reken- en redeneervoorbeeld

De afmeting van de atoomkern van het element uranium is van de orde van grootte 10-14 m. We bekijken de vraag of je de bewegingen van de protonen en neutronen binnen de kern zou kunnen begrijpen zonder rekening te houden met quantumeffecten. Stel we zouden de meer dan tweehonderd kerndeeltjes beschouwen als botsende balletjes die in de kern bewegen. De snelheid van de protonen en neutronen zou dan door de temperatuur worden bepaald.
De snelheid van een deeltje met massa 1,67⋅10-27 kg bij een temperatuur rond 300 K beschouwen we als gegeven, die is ongeveer 3⋅103 m/s. Hiermee berekenen we de de broglie-golflengte:

λ= h mv = 6,6 10 34 1,67·1 0 27 31 0 3 =1,31 0 10 m 

Dit is veel groter dan de afmeting van de kern. De mate van onbepaaldheid van de positie zou veel groter zijn dan de ruimte waarin de deeltjes zich bevinden.
Het is dus niet gerechtvaardigd de deeltjes te beschouwen als klassieke deeltjes die binnen de kern banen volgen. Het is nodig protonen en neutronen te beschouwen als quantumdeeltjes die zijn opgesloten in de kern. Dat betekent dat de de broglie-golflengte van de deeltjes in de kern gedwongen wordt ook van die grootte te zijn. Dit betekent op zijn beurt dat de protonen en de neutronen met snelheden bewegen van

v= h mλ = 6,6 10 34 1,67· 10 27 · 10 14

hetgeen van de orde van grootte 107m/s is.

Bij een macroscopisch object merk je helemaal niets van de golfeigenschappen. Als een persoon van 60 kg met een snelheid van 10 m/s sprint, is zijn de broglie-golflengte ongeveer 10-36 m. Dat is zelfs nog veel kleiner dan een atoomkern, een eventuele afwisseling van maxima en minima op die schaal kun je niet merken. De persoon zal nooit door ruimtes van die afmetingen kunnen bewegen.