Conclusies en vooruitblik
Uiteindelijk lijken fotonen en elektronen veel op elkaar. De kans
om ze op een bepaalde plaats aan te treffen wordt bepaald door
interferentie en dus door het golfkarakter, absorptie vindt plaats
als hele deeltjes.
De de broglie-golflengte van deeltjes is meestal kleiner dan de golflengte van zichtbaar licht. Bij elektronen merk je vaak niets van het golfkarakter, omdat de de broglie-golflengte λ=h/(m∙v) veel kleiner is dan de afmetingen van het systeem, zodat je niets van interferentie merkt. De kleine waarde van de constante van Planck zorgt dat deze golflengte zo klein is.
Bij fotonen is juist het deeltjeskarakter vaak niet merkbaar, omdat de energiepakketjes E = h ∙ f zo klein zijn, en je er vaak een heleboel tegelijk hebt. Je merkt niet dat een lamp afzonderlijke fotonen uitzendt, omdat het er zo veel zijn, net als je de afzonderlijke moleculen van de lucht niet ziet omdat het heel veel, heel kleine moleculen zijn. De energie van de fotonen is zo klein omdat de constante van Planck zo klein is. De onderliggende oorzaak van zowel het feit dat je bij elektronen soms weinig merkt van het golfkarakter en het feit dat je bij licht soms weinig merkt van het deeltjeskarakter, is dus dezelfde.
In het volgende hoofdstuk onderzoeken we gevolgen van het golfkarakter van elektronen. In hoofdstuk vier gaat het om toepassingen van zowel het golfkarakter van elektronen als het deeltjeskarakter van licht.