Vroeger hadden zwembaden rechte wanden. Golven die daar tegenaan kwamen, weerkaatsten. Het water klotste enorm door al die door elkaar lopende golven. Nu is er vaak een soort overloop, waarop de golven uitdempen. Dat vinden de zwemmers prettiger. De manier waarop aan de randen de ruimte waarin iets kan golven wordt ingeperkt, maakt dus uit.
Bij snaarinstrumenten zitten beide uiteinden van de snaar vast, dat zijn punten waar de snaar niet kan bewegen. Bij een orgelpijp kan de lucht aan één uiteinde juist wel bewegen. Dit verschil heeft tot gevolg dat bij een snaar de boventonen alle gehele veelvouden van de grondtoon zijn, bij een grondtoon van 400 Hz dus 800 Hz, 1200 Hz, 1600 Hz, 2000 Hz, 2400 Hz, 2800 Hz,…. Bij de orgelpijp zijn het alleen de oneven veelvouden: 1200 Hz, 2000 Hz, 2800 Hz,…. Wat er aan de randen precies gebeurt, maakt dus weer uit voor de golven die kunnen bestaan. Dit zullen we terugzien bij ingesloten quantumdeeltjes.
Het model van een deeltje in een doos klopt met het feit dat de energie van een waterstofatoom slechts bepaalde waarden kan aannemen. Wat dat betreft is het model van het doosje goed genoeg om iets over spectra van atomen te zeggen. Het klopt echter helemaal niet dat de hogere energieën steeds verder uit elkaar liggen. Ze liggen juist steeds dichter bij elkaar. We gaan proberen een gevoel te krijgen voor wat er gebeurt als je een deeltje op een andere manier probeert in te sluiten dan in een simpele doos.