De energie van het oorspronkelijke foton wordt verdeeld over
twee fotonen. Elk van de energieën van de nieuwe fotonen is
kleiner dan het totaal. Met E=h ⋅ f zie je dat
een kleinere fotonenergie overeenkomt met een kleinere
frequentie. Dat is inderdaad een verschuiving naar de rode
kant van het spectrum. (Als je liever in golflengtes denkt dan
in frequenties kun je met λ=c/f zien dat een kleinere
frequentie overeenkomt met een grotere golflengte).
De mogelijke energieën van een quantumdeeltje in een
ééndimensionale doos met lengte L
worden gegeven door En=n2⋅h2/8mL2.
De grondtoestand heeft n=1,
de energie is
De tweede aangeslagen toestand heeft n=3,
de energie is
Het verschil in energie is gelijk aan de energie van het
geabsorbeerde foton. Dus geldt
Als je één factor h
wegstreept en grootheden naar de andere kant brengt, krijg je
dus L=1,0 ⋅10-9
m.
De drie energieniveaus die een rol spelen hebben energie h2/8mL2,
4h2/8mL2 en 9h2/8mL2.
De verschillen zijn 5h2/8mL
2voor de overgang van de tweede
aangeslagen toestand naar de eerste aangeslagen toestand
en 3h2/8mL2 voor de
overgang van de eerste aangeslagen toestand naar de
grondtoestand. De twee fotonen hebben dus respectievelijk 5/8
en 3/8 van het totale energieverschil. De frequenties die daar
bij horen zijn 5/8 respectievelijk 3/8 maal zo groot als de
oorspronkelijk geabsorbeerde frequentie, en met λlicht=
c/f vind je dat de
twee uitgezonden golflengtes 8/5 respectievelijk 8/3 maal de
oorspronkelijk geabsorbeerde golflengte zijn. De waarden die
je krijgt zijn 720 nm en 1200 nm. Die waarden liggen verder
naar boven in het spectrum van figuur 4.10 dan de rode piek.
Ze liggen zelfs in het infrarood, zodat de lichtopbrengst laag
zou zijn. (Je zou dus een verbeterd model moeten opstellen,
met andere overgangen, of een model waarin de het doosje niet
eendimensionaal is).