Quantumtunneling in de biochemie?
Biochemici bestuderen scheikundige reacties in het menselijk lichaam. Bij sommige enzymatische reacties draagt het ene molecuul een waterstofkern over aan het andere. De snelheid waarmee dit gebeurt is belangrijk. De standaardtheorie voor reactiesnelheden werkt met ‘thermische fluctuaties’. De snelheid die in ons geval uit de standaardtheorie volgt, klopt niet met het experiment. Daarom wordt onderzocht of behalve thermische fluctuaties ook quantumtunneling een rol speelt.
- Noem een voorbeeld van een apparaat of een proces waarbij quantum-tunneling van een elektron plaatsvindt.
- Gaat de reactie in het echt sneller dan de standaardtheorie voorspelt, of langzamer? Leg je antwoord uit, geef daarbij aan of de eventuele quantumtunneling de reactie versnelt of vertraagt.
- Welke grootheid kun je variëren om dit onderscheid te maken? Leg in je antwoord uit wat je zult waarnemen in de beide mogelijke gevallen (‘thermische fluctuaties’ en ‘tunneling’).
De standaardtheorie zonder quantumtunneling luidt als volgt: De waterstofkern heeft een gemiddelde beginpositie in het oorspronkelijke molecuul. Die positie is de plaats van het minimum van de ‘put’ linksonder in figuur 1 (punt A). Door willekeurige bewegingen (‘thermische fluctuaties’) beweegt de waterstofkern een beetje rond die positie. Om verder van het midden van de put te komen, is meer energie nodig. Die energie krijgt de kern doordat alle kernen in het molecuul willekeurige bewegingen uitvoeren en hun energie op willekeurige wijze aan elkaar doorgeven. Af en toe is er een waterstofkern die genoeg energie heeft om zover van het midden terecht te komen dat het op de positie van punt B in figuur 1 terechtkomt: in een andere put, die overeenkomt met een plek in het andere molecuul.
Deze standaardtheorie geeft een andere reactiesnelheid dan de gemeten snelheid. Dit verschil is de reden om te onderzoeken of quantumtunneling ook een rol speelt.
Bij quantumtunneling gedraagt de
waterstofkern zich als een quantumdeeltje in een kleine
ruimte. Het bijbehorende golfje spreidt zich uit tot de
positie van punt B, zodat er een kans is dat het
quantumdeeltje uiteindelijk in B wordt waargenomen, zonder dat
het genoeg energie heeft gekregen om over de barrière te gaan.
Je kunt een bepaalde grootheid in je experiment variëren om te
kijken of tunneling de belangrijkste rol speelt, of toch de
thermische fluctuaties uit de standaardtheorie.